


Gisteravond was ik te gast op een bijeenkomst van het Noorse fondsenhuis Skagen. De meeting werd gehouden in het historische West-Indisch huis. Een van de sprekers was de Zwitserse Dr. Marc Faber, beter bekend als Dr. Doom. Al bij de start van de sessie...
Lees MeerObjectief gezien leven wij in de rijkste periode uit de gehele geschiedenis. De economie is de studie van de verdeling van schaarse middelen, maar wat gebeurt er wanneer die middelen in overvloed voorhanden zijn? Dan blijft de economie ervan uitgaan dat...
Lees MeerEen van de lievelingen van de valuebeleggers is het aandeel France Telecom. Zo behoren valuebeleggers zoals Brandes en Allianz tot veruit de grootste aandeelhouders van het Franse bedrijf. France Telecom is een aandeel waar je van houdt of dat je haat....
Lees MeerNu Japan aan de vooravond staat van nieuwe verkiezingen en de vijfde recessie van de afgelopen 15 jaar zich aftekent, grijpt het kabinet naar een beproefd middel: geld strooien. Het past in de Sinterklaasgedachte om uit te delen en ook al kennen de Japanners...
Lees MeerIn mei 2012 schreef ik naar aanleiding van de inauguratie van François Hollande al over de moeilijke situatie waarin Frankrijk zich bevindt met als titel: Vergeet Griekenland,...
Lees Meer
In het agrarische tijdperk consumeerden de meeste mensen wat ze eerst zelf hadden geproduceerd en waren als zodanig geen consumenten of producenten maar prosument. De Industriële revolutie dreef tussen die twee functies een wig, wat de consument en producent deed ontstaan.
Dat leidde tot de komst van een markt: een stelsel van distributiekanalen en -plaatsen via welke goederen en diensten konden worden uitgewisseld en verhandeld.
Voor het juiste economische inzicht in de 21ste eeuw is het verhelderend om zich een economie voor te stellen die uit twee sectoren bestaat: Sector A omvat het onbetaalde werk dat mensen voor zichzelf, hun gezin of hun eigen gemeenschap verrichten, terwijl sector B het geheel van goederen en diensten omvat dat bestemd is voor verkoop of ruil via één of andere markt.
De productie van goederen en diensten ten behoeve van de markt is zo dominant geworden, dat de economen van het Industriële Tijdperk het hele bestaan van sector A vrijwel vergeten zijn. Het woord “economie”werd op een manier gedefinieerd die alle vormen van productieve arbeid die niet voor de markt zijn bestemd, uitsluit. De prosument is daarmee onzichtbaar geworden en geen onderdeel van de economische definities en statistieken.
Dat betekent bijvoorbeeld, dat al het onbetaalde werk thuis, het zelf schoonhouden van het huis, kinderen opvoeden en het vrijwilligerswerk in al zijn vormen wordt afgedaan als “niet economisch” terwijl de sector B, de zichtbare economie, niet zou kunnen bestaan zonder de goederen en diensten die in sector A, de onzichtbare economie, worden geproduceerd.
De politici en deskundigen staren zich (in het kader van de huidige crisisbezweringen) blind op statistieken die uitsluitend zijn gebaseerd op sector B – transacties. Ze maken zich zorgen over teruglopende “groei”en “productiviteit”.
Zolang we echter blijven denken, doen en handelen in achterhaalde categorieën uit het Industriële Tijdperk en de sector A blijven beschouwen als verwaarloosbaar en buiten de economie staande, zullen we onze economische problemen nooit onder de knie krijgen.
De “Wet van de relatieve inefficiëntie” is in deze relevant: hoe meer we de productie van goederen automatiseren en de stukprijs verlagen, hoe duurder handwerk wordt en hoe hoger de kosten van niet geautomatiseerde werkzaamheden. Zelfs zonder inflatie zorgt deze wet ervoor dat voor steeds meer mensen het meer “winstgevend”wordt om te produceren voor eigen behoefte; waardoor steeds meer activiteiten van sector B naar sector A worden overgeheveld (van marktsector naar prosumptie).
Miljoenen mensen zijn werkloos, maar is volledige werkgelegenheid nog wel een realistische doelstelling in het huidige Kennis en Innovatietijd? Het hele begrip werkloosheid is een typisch etiket uit het Industriële Tijdperk. Het eigenlijke probleem is niet werkloosheid maar steeds meer dat van het onbetaalde en improductieve werk waar veel armen, vooral op het platteland, toe gedwongen zijn.
De huidige opmerkelijke stijging van de proconsumptie in de welvarende landen stelt de meeste veronderstellingen en doelstellingen uit het Industriële Tijdperk ter discussie. In ieder geval moet de proconsumptie in de 21ste eeuw worden gezien als iets positiefs, in plaats van als betreurenswaardig overblijfsel van het verleden. Misschien is wat de meeste mensen nodig hebben, wel gedeeltelijke werkgelegenheid, gepaard gaande aan een nieuw beleid met visie, erop gericht hun “prosumptie” “productiever” te maken.
De armen van onze wereld vragen niet in de eerste plaats een baan, maar om voedsel en een dak boven hun hoofd. Een baan is daar hoogstens een middel toe. Vaak echter kunnen deze mensen hun eigen voedsel verbouwen en hun eigen huis bouwen; of daar op zijn minst een bijdrage toe leveren.
M.a.w. alles wat ertoe bijdraagt dat het individu op een effectievere wijze prosumeert, is net zo belangrijk als productie, op de conventionele manier uitgedrukt in BNP. Om de “productiviteit”van de prosument op te voeren, dienen de regeringen de wetenschappelijke en technologische researchinspanning te richten op prosumptie.
Riens Meijer is verandereconoom.
Hoofdredacteur:
Anneke van der Veer
Redactie:
Carla Wijnmaalen (eindredactie)
Thijs Koetsier (webredactie)
Auteurs: Anneke van der Veer, Boris van der Ham, Carla Wijnmaalen, Dimitri van Tienhoven, Erik Camman, Joël Andoetoe, Jos Lubbers, Frank Berkemeier, Michael Toorop, Mijntje Pluimers, Peter van Dijken, Peter Verhaar, Riens Meijer, Thijs Koetsier, Victor van der Sterren
Reacties
'Prosumptie' is in feite een zeer laag-productieve wijze van voortbrenging. Zij bloeit vooral in arme, laag-ontwikkelde samenlevingen.
Kortom, door de overgang naar het Industriële tijdperk moeten we in vrijwel alle opzichten gan vernieuwen omdat de definities en statistieken die we nog steeds gebruiken over hun houdbaarheisdda tum heen zijn. In volgende bijdragen zal ik daar verder op ingaan.
Kunt u hier wat voorbeelden van geven? Als ik mijn generatie namelijk met die van mijn ouders vergelijk, besteed ik meer uit dan zij deden. In ttt mijn huidige situatie, had mijn moeder geen schoonmaakster, geen baby-sitter, knipte ze ons eigen haar, repareerde mijn vader zijn eigen auto, en bouwde zelf de schutting achterin de tuin. Voor mijn GROOTouders zou ik daar nog aan toe kunnen voegen dat zij hun eigen moestuin, kippen en geiten hadden en gefiltreerd regenwater dronken.
Met andere woorden, ik zie prosumentatie alleen maar afnemen. Het feit dat een werkloze man of vrouw in het huidige economische klimaat nu zelf het huis schoon kan/moet maken is volgens mij een druppel op een gloeiende plaat.
Kortom, de doe-het-zelftrend, overal vinden we dezelfde nauwere betrokkenheid van de consument bij de productie. het aantal Oma`s en Opa`s die taken voor hun kinderen uitoefenen. Dat was in de tijd van uw vader en moeder absoluut niet het geval!
De markt zal zeker niet verdwijnen; we keren niet terug naar economieën van vóór de markt. Prosument betekent wel de "ontmarkting" van op zijn minst een aantal activiteiten, waardoor de samenleving een sterk veranderde rol krijgt toebedeeld. Het wijst op een economie die anders is dan vroeger- een economie die niet langer één sector, A boven B, bevoordeelt. De opkomst van de prosument in de 21ste eeuw als gevolg van de sterk gestegen kosten voor diensten, van het falen van de bureaucratieën uit het Industriële Tijdperk, van de problemen rond de structurele werkloosheid en van nog vele andere samenwerkende factoren, leidt tot nieuwe manieren van werken en leven.
Wat ik wil aanvullen op jouw artikel is dat social media als twitter en facebook, maar ook youtube e.d. in mijn ogen de voorbeelden bij uitstek zijn van prosumentisme.
RSS feed voor reacties op dit bericht